Achtergronden Juridische actualiteiten

Vierde arbeidsovereenkomst niet in strijd met de ketenregeling van artikel 7:668a BW noch in strijd met openbare orde of goede zeden

Een opmerkelijke uitspraak van het gerechtshof ‘s- Hertogenbosch van 30 juli 2013. (GHSHE:2013:3442)

De feiten
Werknemer is in dienst geweest van Yachts Builders als projectleider. Tussen Yachts Builders en de werknemer zijn drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, te weten

  • Van 18 augustus 2008 tot 18 augustus 2009,
  • Van 18 augustus 2009 tot 18 februari 2010 en
  • Van 18 februari 2010 tot 18 februari 2011

Na het derde contract voor bepaalde tijd is er tussen Yacht Builders en werknemer een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met ingang van 18 februari 2011.In deze overeenkomst is de volgende passage opgenomen: ‘ Partijen hebben betreffende deze arbeidsovereenkomst aanvullende afspraken gemaakt over de duur en beeindiging van de arbeidsovereenkomst. Zie bijlage (vaststellingsovereenkomst).’

In deze vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden per 1 januari 2012 eindigt. Yacht Builders heeft aan werknemer laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst alleen wilde verlengen indien op voorhand duidelijk zou worden op welke datum de arbeidsovereenkomst alsnog zou eindigen.

Bij brief van 13 december 2011 heeft werknemer de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen. Werknemer stelde had zich op het standpunt gesteld dat de vaststellingsovereenkomst nietig is omdat deze in strijd zou zijn met het (driekwart) dwingendrechtelijk karakter van art. 7:668a BW. Hetgeen inhoudt dat er enkel van deze bepaling kan worden afgeweken bij cao.

In dit artikel is bepaald dat tussen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan ontstaan indien arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden. Daarnaast bepaalt dit artikel dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan ontstaan indien meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

De werknemer stelde zich op het standpunt dat hij een contract voor onbepaalde tijd had (volgens de bepaling van art. 7:668a) en dat de bepaling in de vaststellingsovereenkomst omtrent de beeindiging van het dienstverband geen werking had. Yachts Builders blijft bij haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen per 1 januari 2012 (zoals in de vaststellingsovereenkomst was overeengekomen).

De kantonrechter
De kantonrechter oordeelt dat het partijen niet vrij staat om bij overeenkomst af te wijken van hetgeen is bepaald in art. 7:668a BW. De kantonrechter bepaalt dat het bewust aangaan van een overeenkomst die tot doel heeft om een door de wetgever aan de werknemer geboden dwingendrechtelijke bescherming te omzeilen nietig is wegens strijd met de openbare orde
en/of goede zeden. Kortom de vaststellingsovereenkomst heeft volgens de kantonrechter geen werking Hetgeen volgens de kantonrechter dus betekent dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. (Deze vierde arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbonden per 1 juli 2012 onder toekenning van een schadevergoeding van € 49.000,-).

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch beslist anders
Yachts Builders gaat tegen het vonnis van de kantonrechter in beroep. Het gerechtshof is het niet eens met de kantonrechter en vernietigt het vonnis. Op grond van art. 7:902 BW is een vaststellingsovereenkomst ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht. Dit is slechts anders indien de gemaakte afspraken in strijd komen met de openbare orde of goede zeden. Het Hof overweegt dat voor zover in dit geval al sprake zou zijn met dwingend recht, te weten strijd met art. 7:668a BW, dan is de overeenkomst dus toch geldig. Dat en waarom er sprake zou zijn van strijd met de goede orde of goede zeden heeft de werknemer niet onderbouwd. De werknemer heeft alleen gesteld dat er bewust is afgeweken van een driekwart dwingende wetsbepaling. Mocht daar als sprake van zijn, dan is dit zonder dit nader toe te lichten onvoldoende om te concluderen dat sprake is van strijd met dwingend recht.

In deze uitspraak kwam de werkgever onder de bepaling van art. 7:668a BW uit. Er valt echter niet te zeggen of het werkgevers in zijn algemeenheid vrij staat om door middel van een vaststellingsovereenkomst die wordt afgegeven tegelijkertijd met de vierde arbeidsovereenkomst uit te komen onder het bepaalde in art. 7:668a BW. Zoals opgemerkt had de werknemer niet onderbouwd waarom de vaststellingsovereenkomst in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden. Of het gerechtshof anders had geoordeeld als de werknemer wel goed had onderbouwd waarom er sprake zou zijn met de openbare orde of goede zeden is onzeker.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2013:3442

KJ, Leek, 19 september 2013